|
Zo'n honderd jaar geleden spande de voerman de paarden voor de "Rijksdriehoekskar” om vervolgens stapvoets op pad te gaan.
Boven: De "Rijksdienstkar" gaat per trein naar de dichtst bijzijnde station in de buurt van de meting. Rechts: Nadat de koets op het station is gearriveerd gaat men op pad.
Onderweg deden zich nog al eens verrassingen voor, zo blijkt onder meer uit het dagboek uit 1901 van landmeter N. Wildeboer. Nadat hijzelf reeds op 2 mei van dat jaar met trein, omnibus en rijtuig – na een overnachting te Sneek – 's morgens zijn reisdoel Balk (in Friesland) heeft bereikt, is het wachten op de kar met de meetploeg en instrumenten. Dat zal nog even duren, zo blijkt. Want op zaterdag 4 mei lezen we daarover: "Bij aankomst te Balk blijkt, dat de wagen juist is gearriveerd ('s avonds half tien). Men is den ganschen dag met het transport bezig geweest. Als oorzaken worden mij door de voerlieden opgegeven het niet sporen van den wagen, waarvoor de radstand breeder is dan het verharde gedeelte van den weg en de geringe breedte van de velgen, tengevolge waarvan de wielen telkens terzijde van den weg in het gras zakken. Dit geldt alleen voor den Zeedijk.”
En landmeter Canters heeft logistiek het een en ander te regelen als hij in 1904 het RD-punt in de toren van de Nederlands-hervormde kerk in Ruinen moet controleren, hetgeen blijkt uit zijn rapportage onder de kop "Verschillende Aanteekeningen”:
"Sleutels bij den klokluider; van den steiger berust één sleutel bij de Rijkscommissie en één exemplaar op de secretarie;
Logies: Te Meppel Hotel Bontekoe (eigenaresse in 1904 wed. Voorthuis);
Hulpkantoor in het dorp; geen telegraaf of telephoon;
Reisgelegenheid: Per rijtuig te bereiken van uit de Staatsspoor stations Meppel, Echten (halte) en Hoogeveen.”
Boven: Bouw van een meetopstelling op havenhuis op Schokland.
Om op de kerktoren te kunnen meten moet er op de toren een omloop beschikbaar zijn. Als die er niet is wordt er een speciale meetopstelling (pijler) gemaakt met daaromheen een uitbouw voor de landmeter zodat hij om de pijler heen kan lopen. Op deze pijler kan de landmeter zijn instrument plaatsen en de hoekmeting uitvoeren. Omdat dergelijke karweitjes zich nog al eens hebben voorgedaan, zijn de meetassistenten vaak geselecteerd op hun vakbekwaamheid in het timmermansvak.
Tekst: Jan van Eck in Kadasterkalender 2002
Foto's: Archief Kadastermuseum |